De staatsschuld
De staatsschuld of overheidsschuld omvat de schulden van de
centrale overheid, de deelstaatoverheid, de lagere overheid en
de wettelijke sociale verzekeringsinstellingen.
Definitie
Volgens het Verdrag van Maastricht is de staatsschuld de
nominale waarde van alle aan het einde van een periode (jaar,
trimester) uitstaande brutoverplichtingen van de overheid, met
uitzondering van de verplichtingen waarvan de corresponderende
financiële activa door de overheid worden aangehouden. Deze
verplichtingen hebben betrekking op chartaal geld en deposito's,
effecten met uitzondering van aandelen (exclusief financiële
derivaten) en leningen, overeenkomstig de definities van het ESR
95.
Ontstaan
Een staat kan een staatsschuld oplopen door geld te lenen bij
particulieren, bedrijven, organisaties en/of andere staten. Dit
gebeurt meestal bij bedrijven, particulieren en organisaties
door de uitgifte van staatsobligaties.
Wanneer een overheid meer uitgeeft dan er aan geld binnenkomt,
wordt dit het begrotingstekort genoemd. Bij de uitgaven zijn dan
ook al de aflossingen van de staatsleningen meegerekend. Maar
omdat de afbetaalde leningen over het algemeen vrij gemakkelijk
opnieuw kunnen worden afgesloten, en omdat dan ook de
staatsschuld niet oploopt (omdat er evenveel wordt afgelost als
bijgeleend), is er nog een term geïntroduceerd. Dit is het
financieringstekort. Dit tekort geeft aan in hoeverre de
staatsschuld groeit of daalt.
Obligaties lopen over het algemeen 10 jaar, maar zowel in het
verre als recente verleden zijn ook obligaties met veel langere
looptijden succesvol geplaatst. Leningen met een looptijd van
100 jaar kwamen rond het begin van de twintigste eeuw voor, en
recent zijn, vooral door de toegenomen vraag naar langer lopende
waardepapieren, verschillende europese overheden overgegaan tot
het uitgeven van obligaties met een looptijd van 30 jaar.
Staatsschuld in ontwikkelingslanden
Veel ontwikkelingslanden hebben moeite met het afbetalen van hun
schulden, en het betalen van de rente over de staatsschuld.
Omdat de landen dit niet kunnen betalen van hun eigen productie,
moeten ze nóg meer geld lenen. Deze leningen moeten zij ooit
toch ook weer afbetalen, en zij moeten er toch ook weer rente op
betalen, en hier moeten zij ook weer meer geld voor lenen.
Hierdoor ontstaat een rentesneeuwbal, een vicieuze cirkel, een
neergaande spiraal. Dit effect heet het sneeuwbaleffect.
De eerste-wereldlanden proberen soms deze cirkel te verbreken.
Dit doen ze door een deel van de schulden kwijt te schelden,
zodat er in de toekomst minder hoeft te worden afgelost, minder
rente hoeft worden betaald, en dus ook minder hoeft te worden
geleend.
Critici menen echter dat het probleem beter kan worden opgelost
door de handelsbeperkingen in te dijken, zodat de
ontwikkelingslanden meer kunnen exporteren. Hierdoor kunnen ze
meer geld verdienen, hoeft er minder te worden bijgeleend, en
neemt de staatsschuld ook af. Het verschil met de andere methode
is dat het land ook economische groei doormaakt, en dus dat
structureel de economische situatie in de ontwikkelingslanden
verbeterd wordt.
Staatsschuld in België
In België bedroeg de staatsschuld eind mei 2006 ruim 279,94
miljard euro, of ongeveer 92 procent van het BBP. Het Agentschap
van de Schuld is verantwoordelijk voor het schuldbeheer. De
staatsschuld bevat onder andere de schulden van de federale
overheid, de gewesten en gemeenschappen, de NMBS-schulden etc.
Staatsschuld in Nederland
De Nederlandse staatsschuld bedroeg eind december 2006 211,6
miljard (211.600.000.000) euro.
Nederland zal in 2006 volgens de miljoenennota 13,2 miljard
(13.200.000.000) euro rente betalen over deze staatsschuld. Het
begrotingstekort wordt onder andere verergerd door deze
rentebetalingen.
Verloop staatsschuld in Nederland
Jaar x mln Euro
1900 642
1905 684
1910 720
1915 988
1920 1.757
1925 2.264
1930 2.273
1935 2.765
1940 3.690
1945 10.855
1950 13.606
1955 12.219
1960 14.796
1965 21.437
1970 34.429
1975 50.555
1980 86.491
1985 159.632
1990 195.149
1995 211.042
1999 – Staatsschuld van 518.356.000.000 (518,4 miljard) gulden
(zo'n 235,2 miljard euro). Dat is tweederde (66,6 procent) van
de totale productie van de Nederlandse economie dit jaar. Per
hoofd van de bevolking bedraagt de staatsschuld zo'n 32.000
gulden. Over deze schuld betaalt de staat dit jaar 31,2 miljard
gulden aan rente. Na Onderwijs is de rentepost de grootste
uitgavenpost op de Rijksbegroting.
Begroting staatsschuld in Nederland
Staatsobligaties worden gekocht door mensen of organisaties die
geld 'over' hebben. Over het geleende wordt een rentevergoeding
betaald, die bij staatsobligaties meestal coupon genoemd wordt.
In Nederland leent de overheid ook direct bij de
pensioenfondsen. Door geld van de pensioenfondsen te lenen komt
de rente die de overheid over de staatsschuld moet betalen ten
goede aan het pensioenfonds. Hierdoor wordt de hoeveelheid geld
die uit de algemene middelen 'weglekt' richting private
investeerders beperkt. Echter, door het lenen van 'eigen' geld
is dat geleende bedrag niet beschikbaar om uit te lenen aan
andere landen of beter renderende investeringen. Hoewel lenen
van de pensioenfondsen dus aantrekkelijk kan lijken, is het geen
wondermiddel.
Er is vaak een strijd over waar een eventueel
begrotingsoverschot naartoe moet. Een mogelijke oplossing is een
specifieke belasting in te voeren, welke vervolgens uitsluitend
gebruikt wordt om de staatsschuld af te lossen. Hiermee worden
discussies over waar het 'overschot' naartoe moet voorkomen. Of
dit een echte oplossing is kan betwist worden, omdat de
discussie over een staatschuldbelasting feitelijk overeenkomt
met de discussie over aanwending van overschotten.
Staatsschuld in beschouwing tot BBP
De staatsschuld raakt niet 'ontspoort' als het overheidstekort
constant is in verhouding tot het bbp . De schuldquote
convergeert naar de verhouding tussen de tekortquote en de
nominale groeivoet. Bij een permanent overheidstekort van één
procent van het bbp en een bbp-groei van vijf procent tendeert
de schuldquote dus naar twintig procent en bij
begrotingsevenwicht naar nul. Rekenkundig is de ratio van
'Maastricht' en de EMU-normen: mits het tekort maximaal 3% en de
nominale bbp-groei minimaal 5% bedraagt, is de schuld 'houdbaar'
op maximaal 3/5 ofwel 60%.
Uitgestelde belastingen
Men kan schuld zien als het uitstellen van belastingbetaling
naar een latere datum, want uiteindelijk kan de staat het
grootste deel van zijn uitgaven enkel dekken door het heffen van
belastingen.
Het grootste verschil tussen de Keynesiaanse en de klassieke
economische theorie bevindt zich dan ook in dit punt als we gaan
kijken naar schuldcreatie.
Keynesianen vinden dat men altijd nieuwe schuld moet kunnen
maken om de economie ten tijde van een recessie te stimuleren,
om dan in tijden van economische opgang de schuld weer af te
lossen met het overschot dat dan ontstaat.
Klassieken vinden dat tegenover schuld een investering moet
staan. Zij wijzen erop dat door een hogere staatsschuld de
belastingen in de toekomst zullen stijgen, waar investeerders
dan weer rekening mee houden en minder zullen gaan investeren,
ook omdat de rente stijgt doordat de overheid meer moet gaan
lenen.