Belasting in Nederland
De belastingen vormen het grootste deel van de inkomsten van de
overheid. Daarnaast ontvangt de staat inkomsten aan de verkoop
van aardgas uit de Nederlandse bodem. Ook krijgt de overheid
inkomsten uit de winst van bedrijven waarvan de overheid (voor
een deel) eigenaar is, zoals KLM en KPN. De inkomsten van de
rijksoverheid over het jaar 2002 worden begroot op 129,6 miljard
euro.
Traditioneel nemen de Omzetbelasting en de Loonbelasting de
grootste moten voor hun rekening. Tezamen zijn zij goed voor
zo'n 70% van de belastinginkomsten. Daarna volgt de
Vennootschapsbelasting met ongeveer 15%. De Inkomstenbelasting
telt met enkele procenten nauwelijks mee, maar is wel een
eindheffing op de Loonbelasting. Andere, kleinere belastingen,
zoals de dividendbelasting en de accijnzen, leveren voor de
overheid verhoudingsgewijs nauwelijks wat op. Absoluut praten we
natuurlijk nog wel over miljardenbedragen. De kapitaalbelasting
kost eerder geld dan dat ze wat oplevert, en zal dan ook worden
afgeschaft.
Het ministerie van Financiën is verantwoordelijk voor de
uitvoering van wetgeving op belastinggebied. De feitelijke
uitvoering vindt plaats door de Belastingdienst. Binnen de
belastingdienst is de inspecteur verantwoordelijk voor
heffingsaangelegenheden zoals de aanslagregeling en de
behandeling van bezwaar- en verzoekschriften. De ontvanger is
verantwoordelijk voor invorderingsaangelegenheden. De inspecteur
werkt voornamelijk op basis van de Algemene Wet inzake
Rijksbelastingen (AWR) terwijl de ontvanger voornamelijk de
Invorderingswet hanteert.
Belastingen vroeger en nu in Nederland
Het betalen van belastingen bestaat al eeuwen. Wie wil weten hoe
het er vroeger aan toe ging, kan terecht in het Belasting- en
Douanemuseum in Rotterdam. In de 18e eeuw ging het voornamelijk
om belastingen op noodzakelijke levensmiddelen als brandhout,
zeep, zout, graan, vlees, wijn, turf, kolen en wol. Omdat
niemand zonder deze producten kon leven, was de overheid
verzekerd van inkomsten. De overheid gebruikte dat geld voor de
bescherming van land en inwoners, de handhaving van de openbare
orde en de regulering van verkeer, waterstaat en handel.
Iedereen betaalde toen hetzelfde tarief ongeacht het inkomen.
In 1806 werd onder Alexander Gogel, minister van Financiën
tijdens de Bataafs-Franse tijd een stelsel van algemene
belastingen ingevoerd. De betekenis van het stelsel zat vooral
in het bereiken van eenheid van de Nederlandse belastingheffing.
In 1914 werd de eerste vorm van belasting op inkomen ingevoerd.
Het doel van het invoeren van inkomstenbelasting is vooral om de
rijken in Nederland zwaarder te belasten. De rol van de overheid
is sindsdien alleen maar groter geworden. Vandaar dat de
overheid steeds meer geld "nodig heeft" om alle taken te kunnen
uitvoeren. Nieuwe belastingsoorten, zoals omzetbelasting (vanaf
1969 BTW) en vennootschapsbelasting worden ingevoerd. In 1941
wordt de loonbelasting ingevoerd.
Na de Tweede Wereldoorlog is het belastingstelsel uitgegroeid
tot een systeem dat gekenmerkt wordt door twee belangrijke
uitgangspunten: het draagkrachtbeginsel en het profijtbeginsel,
die in de praktijk echter niet goed uit de verf komen.
Profijtbeginsel
Het profijtbeginsel houdt in dat naarmate men meer profijt heeft
van een bepaalde overheidsvoorziening, men er ook meer voor moet
betalen. Daarom zou degene die een auto bezit wegenbelasting
moeten betalen, wie er geen heeft, niet. Natuurlijk komt het
profijtbeginsel zo niet echt uit de verf, want de een rijdt
mogelijk veel meer kilometers in een lichte (en dus fiscaal
goedkope) auto dan de ander in een zware. Bovendien is het
profijtbeginsel apert in tegenspraak met de BPM: de
superbelasting op de aanschaf van motorrijtuigen. Een andere
kritiek tegen het profijtbeginsel is, dat het eigenlijk niet
bestaat wanneer het perfect opgevolgd wordt. Als nl. iedereen
dat bedrag aan belasting betaalt dat gelijk is aan zijn profijt
van de overheidsvoorziening, dan zouden die voorzieningen dus
geen zin hebben omdat de belastingplichtige dan net zo goed zelf
daarin had kunnen voorzien.
Draagkrachtbeginsel
Daarnaast hanteert de overheid het draagkrachtbeginsel. Dat gaat
ervan uit dat de sterkste schouders de zwaarste last kunnen
dragen. Dus hoe hoger het inkomen, hoe meer belasting men
procentueel moet betalen.
De overheid hanteert tegenwoordig, behalve het profijt- en het
draagkrachtbeginsel, ook het principe van 'de vervuiler
betaalt'. Dat principe is bijvoorbeeld van toepassing als de
overheid belasting heft op milieuvervuilende activiteiten.
Wie draagt de belastingen af?
Bij het afdragen van belastingen zijn de volgende twee
mogelijkheden te onderscheiden: directe of indirecte
belastingen. Belastingen die door de belastingplichtige zelf
worden afgedragen aan de Belastingdienst worden directe
belastingen genoemd. Een voorbeeld hiervan is de
inkomstenbelasting. Bij de indirecte belastingen draagt een
ander de belastingen af aan de Belastingdienst. Een voorbeeld
hiervan zijn accijnzen. Dit is een belasting die in de prijs van
goederen en diensten is verwerkt. De consument betaalt de
belasting, maar de leverancier draagt het belastingbedrag af aan
de Belastingdienst.
Belastingen in soorten en maten
De staat heft belastingen op inkomen, winst en het rendement uit
fictief vermogen. Iedereen heeft te maken met de
inkomstenbelasting, die betaald moet worden over inkomsten.
Hoeveel inkomstenbelasting wordt betaald is afhankelijk van de
hoogte van het inkomen en persoonlijke omstandigheden. In het
nieuwe belastingstelsel, dat op 1 januari 2001 in werking is
getreden, is de vroegere belastingvrije som vervangen door een
systeem van heffingskortingen.
De hoogte van de totale korting is afhankelijk van persoonlijke
omstandigheden als leeftijd, het al of niet hebben van een baan
en het aantal kinderen. Ook mensen zonder inkomsten hebben zo
met de belastingen te maken, zij krijgen de heffingskorting
namelijk uitbetaald.
Naarmate het inkomen hoger is, wordt meer belasting betaald.
Daarnaast heft de staat BTW (Belasting op Toegevoegde Waarde,
ook omzetbelasting genoemd) en accijnzen. Bij producten of
diensten zit een toeslag op de prijs die de consument moet
betalen. Deze toeslag is de BTW of omzetbelasting. De
producenten en leveranciers verhogen dus de prijs van een
product of dienst met het bedrag van de BTW, en vervolgens
moeten zij dit geld aan de staat afdragen. Maar de consument
betaalt in werkelijkheid deze belasting, want hij moet een
toeslag op de prijs betalen. Zonder de BTW zou de consument
goedkoper uit zijn.
Op luxe producten, die niet echt nodig zijn om te leven, wordt
19 procent BTW betaald (bijvoorbeeld op CD's, of op sieraden).
Op minder luxe producten, eerste levensbehoeften, wordt meestal
6 procent BTW betaald (bijvoorbeeld op brood). Op zaken als
sigaretten, drank of benzine wordt bovenop de BTW ook nog eens
accijnzen, of verbruiksbelasting geheven. Van iedere verkochte
liter benzine of jenever wordt een vast percentage aan accijnzen
aan de overheid afgedragen. Uiteraard staat de classificatie
vaak ter discussie, en kan toekenning eerder een politiek
karakter krijgen.
Veel belastingsoorten uit het verleden behelsden een poging van
de heffer om de belastinginkomsten te stabiliseren. Door de
toegenomen beschikbaarheid van informatie voor de staat, is dit
nu zeer sterk verbeterd. Het heeft wel als gevolg dat de staat
niet langer 'mee-ademt' met de conjunctuur van de economie,
zoals lang wel het geval was.
Door de toename van het aantal belastingsoorten neemt de
complexiteit van de inning toe, en dus ook de bijhorende kosten.
Aangezien contrôle van de aard van de grondslag vaak niet
efficiënt kan plaatsvinden, of tegen privacy-wetgeving aanloopt,
is er een sterke trend van de oorspronkelijk analytische
benadering, naar een synthetische belasting.
Hierbij wordt een algemeen tarief geconstrueerd dat meer
tendeert naar de inkomsten-behoefte van de staat dan de precieze
inkomsten van een persoon. Aangezien er toenemend
belasting-ontwijking plaatsvindt, versterkt dit de politieke
acceptatie van wat dan nu bekend staat als 'vlaktaks'. Deze
combineert eenvoud van inning met het door velen gedragen
beginsel van breedste schouders, zwaarste lasten, in voldoende
mate.
De ultieme syntetische belasting die uit dit proces kan
voortvloeien, is dan uiteraard een vlaktaks, die alle
belastingsoorten in een enkel tarief consolideert. Gezien
ontwikkelingen in het verleden ligt de voorkeur dan bij een
belasting op uitgaven, die de productiviteit niet ontmoedigt.
Deze laatste ontwikkeling wordt nog niet zozeer breed gedragen,
maar ontplooit zich de laatste jaren wel over een breed politiek
spectrum.
Belastingheffende instanties en wat wordt zoal geheven?
Er zijn in Nederland vier overheden die belasting heffen:
het Rijk
de Provincies
de Gemeenten
de Waterschappen
Ten opzichte van de totale belastingopbrengst is het aandeel van
de provinciale, de gemeentelijke en de waterschapsbelastingen
gering: nog geen 4% van de totale belastingopbrengst.